Presidentsverkiezingen, een lang proces (2)

door Maurits van den Toorn vr 19 feb. 2016 9:00

Nadat op de partijconventies in juli elke partij kandidaat heeft genomineerd, beginnen de ‘echte’ verkiezingen. Vanaf dat moment volgen tv-debatten tussen de Democratische en Republikeinse kandidaten (en eventueel een onafhankelijke derde kandidaat) in de aanloop naar de verkiezingsdag, 8 november. Hoe gaan die verkiezingen ook alweer in hun werk?

Eisen

De kandidaten moeten aan enkele, in de Grondwet vastgelegde eisen voldoen: ze moeten meer dan 45 jaar oud zijn, minimaal veertien jaar in de VS hebben gewoond en er ook zijn geboren. De nationaliteit en de geboorte waren de afgelopen jaren regelmatig punten die politieke tegenstanders van Obama in twijfel trokken. Zelfs op vertoon van het geboortebewijs (Obama is op Hawaii geboren, op 4 augustus 1961 om 19:24, om precies te zijn) werd de echtheid daarvan in twijfel getrokken. Degenen die dat deden bevonden en bevinden zich aan de uiterste, racistische rechterzijde van het politieke spectrum, maar ze dragen wel bij aan de huidige polarisatie in de Amerikaanse politiek. Uit een enquête in 2011 bleek dat 13% van alle Amerikanen (23% van de Republikeinen) nog steeds twijfelde of Obama wel een Amerikaan is.

president obama verenigde staten

Getrapte verkiezingen

Curieus is in dit verband dat van Ted Cruz, een van de huidige Republikeinse kandidaten, vaststaat dat hij niet in de VS is geboren maar in Calgary, Canada. Omdat zijn moeder de Amerikaanse nationaliteit had, kreeg haar zoon die ook. In de strijd om de Republikeinse nominatie proberen enkele concurrenten, Donald Trump voorop, nu ook een punt van Cruz’ nationaliteit te maken. Of dat ‘aanslaat’ was medio januari nog niet duidelijk.

Zoals gezegd kunnen de kiezers op 8 november hun stem uitbrengen, wat ze doen in indirecte of getrapte verkiezingen (net zoals bij ons de Eerste Kamer indirect wordt gekozen). Dat wil zeggen dat ze niet op de kandidaten zelf stemmen, maar op de leden van het kiescollege dat uiteindelijk de president en de vicepresident kiest. Dat college bestaat uit 538 kiesmannen (electors), ook een soort gedelegeerden. Het zijn er evenveel als het aantal senatoren en leden van het Huis van Afgevaardigden, plus drie voor de hoofdstad Washington DC. Afhankelijk van de uitkomst van de verkiezingen is de meerderheid van dit college Democratisch of Republikeins en de president dus ook. Anders gezegd: de kandidaat die 270 kiesmannen in de wacht sleept, wordt president.

Invloed per staat

Dit gecompliceerde systeem is rond 1780 bedacht om kleinere staten enig tegenwicht te bieden aan grote en dichtbevolkte staten. Dat klopt tot op zekere hoogte wel: in het dunbevolkte Wyoming is er één kiesman op elke 200.000 inwoners (maakt drie kiesmannen op 586,107 inwoners), in Texas één op elke 700.000 inwoners (totaal 38); de overige staten zitten er qua verhouding inwoners-kiesmannen tussenin. Het totale aantal kiesmannen is evenveel als het aantal senatoren (twee per staat, dus 100) en leden van het Huis van Afgevaardigden (335), plus drie voor Washington DC. Dat laatste is nodig omdat de inwoners van de hoofdstad niet mogen stemmen voor het Congres, maar wel voor de president.

Het aantal volksvertegenwoordigers en daarmee dus ook het aantal kiesmannen is ooit vastgelegd door het Congres. Om de tien jaar is er een volkstelling; daarna wordt gekeken of er door veranderingen in het bevolkingstal verschuivingen nodig zijn – sommige staten verliezen dan een of meer leden in het Huis van Afgevaardigden en dus ook kiesmannen, andere krijgen er juist bij – maar het totale aantal blijft hetzelfde.

verkiezingen verenigde staten kiesmannen

Toch is de invloed van de kleine staten beperkt, simpelweg omdat ze zo weinig kiesmannen hebben. Met als Wyoming hebben Montana en Vermont er elk drie, Nebraska en New Mexico elk vijf. Verkiezingstechnisch zijn ze dan ook een stuk minder interessant dan New York (29), Florida (29), Texas (38) en Californië (55). De partij die de meerderheid van de kiesmannen in een staat wint, krijgt ze in 48 staten allemaal (‘winner takes all’); alleen in Maine en Nevada hebben ze een wat ingewikkelder manier van stemmen verdelen. Om de tien jaar wordt de verdeling van de kiesmannen aangepast aan de bevolkingsontwikkeling van de verschillende staten.

Swing states

Toch ligt het zwaartepunt van de campagnes niet op de staten met de meeste inwoners en kiesmannen, maar op de zogenoemde swing states. Dit zijn staten waar niet op voorhand tamelijk duidelijk is welke partij de overhand heeft. Het is behoorlijk zeker dat bijvoorbeeld Californië, Oregon en New York voor de Democraten kiezen, net zoals Texas, Arizona en Missouri Republikeins zijn.

Volgens de huidige schattingen kunnen de Democraten op 217 kiesmannen rekenen en de Republikeinen op 191. Dat betekent dat er gestreden moet worden om 130 kiesmannen in tien of elf swing states. De kandidaten richten zich dan ook vooral op die staten, en dan bij voorkeur op de grootste: Virginia (13), North Carolina (15), Ohio (18), Pennsylvania (20) en vooral het dichtbevolkte Florida (29).

Florida was in 2000 de staat waar pas na een hertelling met een miniem verschil de verkiezingen in het voordeel van George W. Bush werden beslecht (Al Gore verloor). Als gevolg van het systeem van getrapte verkiezingen en het wisselende aantal stemmen versus kiesmannen per staat kreeg Gore weliswaar iets meer stemmen van de kiezers, maar won Bush een paar kiesmannen meer en daarmee het presidentschap. Florida kan met recht een swing state worden genoemd: in 2000 en 2004 won de Republikein Bush hier, maar in 2008 en 2012 de Democraat Obama. Ook dit keer lijkt het er weer om te gaan spannen.

Niets staat vast

Overigens geldt voor praktisch alles in bovenstaand verhaal: het zijn maar peilingen en niets staat vast. Zo had het voornamelijk democratische Californië desondanks acht jaar lang een Republikeinse gouverneur in de vorm van Arnold ‘Terminator’ Schwarzenegger. Hoe dan ook, in november weten we wie de komende vier jaar wordt aangesproken met ‘Mr. President’ of misschien zelfs wel ‘Mrs. President’.

In dat laatste geval is het interessant wat er gebeurt met de begrippen POTUS en FLOTUS, afkortingen die in interne documenten worden gebruikt, zoals protocollen voor bezoeken. Ze staan voor President of the United States en First Lady of the United States. Zouden we een FHOTUS krijgen, de First Husband of the United States?