1764: Sugar Act

De Sugar Act staat ook wel bekend als de American Revenue Act of de American Duties Act. Deze wet was een belastingwet die op 5 april 1764 door het Engelse parlement werd goedgekeurd. In de inleiding van de wet werd gesteld dat het belangrijk was om nieuwe voorschriften en bepalingen op te stellen voor het verbeteren van de inkomsten van het koninkrijk, met name om de kosten van het verdedigen en beschermen van het rijk en de vele koloniën te dekken. In 1733 was er al een andere wet opgesteld, de Molasses Act, die een belasting van zes pence per gallon suikerstroop oplegde. Deze belasting werd echter door koloniale belastingontduiking nooit fatsoenlijk geïnd. Door de belasting te halveren en bovendien maatregelen te nemen om de wet ook daadwerkelijk aan de inwoners van de koloniën op te leggen, hoopten de Britten dat de belasting ook echt betaald zou worden. Door deze incidenten raakten de kolonisten echter steeds bezorgder over de intenties van het Britse parlement, en deze zorgen waren van invloed op de groeiende beweging die uiteindelijk de Amerikaanse Revolutie werd.

Achtergrond

De eerdere Molasses Act werd voornamelijk goedgekeurd door het parlement omdat een grote groep plantage-eigenaren in het Britse West-Indië er op stond. De suikerstroop werd in New England gebruikt om rum te maken, en er was een grote handel ontstaan tussen New England en de zogenaamde Middle Colonies (voormalig Nieuw-Nederland) met de Franse, Nederlandse en Spaanse bezittingen in West-Indië. De suiker uit Brits West-Indië was veel duurder dan die van hun concurrenten, en ze hadden geen behoefte aan de grote hoeveelheden hout, vis en andere goederen die de koloniën in ruil aanboden. In het eerste deel van de achttiende eeuw was Brits West-Indië de belangrijkste handelspartner van Groot-Brittannië, wat betekende dat het parlement rekening hield met hun verzoek. Echter, in plaats van dat ze de eis inwilligden om de Amerikaanse koloniën te verbieden handel te drijven met de niet-Britse eilanden in West-Indië, besloot het parlement om een flink hoge belasting te eisen van de koloniën op suikerstroop die geïmporteerd werd van niet-Britse eilanden. Als deze belasting daadwerkelijk geïnd zou worden, dan zou dit er voor zorgen dat New England deze suikerstroop niet meer van die eilanden zou halen, hetgeen min of meer het einde zou betekenen van de rumindustrie. In plaats daarvan zorgden smokkel, omkoping en intimidatie van tolbeambten ervoor dat de wet in de praktijk tenietgedaan werd.

In de Zevenjarige Oorlog, die in Amerika bekendstaat als de Frans-indiaanse Oorlog, nam de nationale schuld van Groot-Brittannië behoorlijk toe. Toen in februari 1763 de oorlog eindigde, besloot het ministerie dat er in de koloniën een staand leger zou blijven bestaan van tienduizend soldaten. Dit leger moest echter betaald worden en er moest bovendien een schuld afgelost worden, die in het volgende jaar alleen maar bleef groeien. Het ministerie verwachtte niet van de koloniën dat zij mee zouden betalen aan de rente en aflossing van de schuld, maar hij verwachtte wel van de Amerikanen dat zij mee zouden betalen aan de kosten voor de verdediging van de koloniën. De geschatte kosten van een leger in de Noord-Amerikaanse koloniën en in West-Indië waren zo'n tweehonderdduizend pond per jaar. Het doel van de Molasses Act was om zo'n achtenzeventigduizend pond per jaar binnen te halen.

Sugar Act

Wet

De Molasses Act liep in 1763 af. De douane verwachtte dat de vraag naar suikerstroop en rum flink zou groeien doordat de oorlog ten einde was gekomen en Canada verkregen was van de Fransen. Zij dachten dat omdat de vraag zou toenemen, het geen gek idee was om minder belasting te vragen: dit zou ervoor zorgen dat er genoeg geld binnen zou komen, maar ook dat de kans groter was dat de belasting daadwerkelijk betaald zou worden. Naast dat het helder was dat de wet strenger toegepast zou worden, maakte het wetsvoorstel ook duidelijk dat deze niet alleen bedoeld was om de handel te reguleren, maar ook om extra inkomsten voor het rijk te creëren.

In de Sugar Act werden specifieke goederen beschreven, waarvan hout de belangrijkste was. Dit mocht alleen naar Groot-Brittannië verhandeld worden. Kapiteins waren nu verplicht om gedetailleerd bij te houden wat er zich in hun ruim bevond, en de papieren moesten nagekeken worden voor er ook maar iets uitgeladen kon worden. De tolbeambten kregen de macht om alle overtreders terecht te laten staan voor admiraliteitsraden in plaats van koloniale rechtbanken met een jury van kolonisten, die meestal positief tegenover het beroep van smokkelaar stonden.

Handel in suikerstroop

Effect op de Amerikaanse koloniën

Zoals gezegd werd de Sugar Act op 5 april 1764 door het Britse parlement goedgekeurd. De wet kwam in werking in een periode van economische depressie in de koloniën. Het was een indirecte belasting, hoewel de kolonisten wel verwittigd werden van de inwerkstelling. Een belangrijke reden voor de depressie was dat veel van de koloniale economie had gedraaid om het voorzien van voedsel en andere goederen aan het Britse leger, een handel die ophield toen de oorlog ten einde was gekomen. De kolonisten, vooral de handelaren en koopvaarders, dachten het nieuwe belastingsprogramma (waar de Sugar Act in realiteit geen deel van uitmaakte) schuldig was aan de nieuwe wet. Toen de weerstand tegen de Sugar Act groeide, was het vooral de economische impact en niet zozeer het constitutionele probleem van 'belasting zonder vertegenwoordiging' waar de kolonisten zich druk om maakten. De kolonisten wilden dus Amerikaanse vertegenwoordigers hebben die hun belangen konden behartigen in het Britse parlement. Dit werd hun echter telkens niet toegestaan.

Vooral de havens van New England hadden veel te lijden onder de Sugar Act, omdat de strengere uitvoering van de wet de smokkel in suikerstroop veel gevaarlijker maakte. Zij vonden dan ook dat de winst die nu nog gemaakt kon worden op de rum te klein was om de belasting op suikerstroop te kunnen rechtvaardigen. Omdat ze gedwongen waren hun prijzen te verhogen, waren ze bovendien bang om handelspartners te verliezen. Brits West-Indië had nu echter onverdeelde toegang tot de koloniale exportproducten. Doordat de voorraad suikerstroop de vraag behoorlijk oversteeg, hadden de Britse eilanden veel economische voordeel van deze prijsverlaging, terwijl de havens in New England juist steeds meer geld verloren. Bovendien was West-Indië de belangrijkste koloniale bron voor harde valuta of muntspecie, en terwijl de voorraad specie slonk, raakte de betrouwbaarheid van de koloniale munt bedreigd.

Twee belangrijke mensen achter de protesten tegen de Sugar Act waren Samuel Adams en James Otis, die beiden uit Massachusetts kwamen. In augustus 1764 besloten vijftig handelaren in Boston dat ze geen Britse luxeartikelen meer zouden importeren, en zowel in Boston als New York ontstonden bewegingen om de koloniale industrie te laten groeien. Sporadisch vond er geweld plaats, vooral in Rhode Island. Over het algemeen was er echter niet direct veel protest tegen de Sugar Act, in welk van de koloniën dan ook. Dat ontstond pas later in het jaar daarop, toen de Stamp Act ook goedgekeurd werd door het parlement.

In 1766 werd de Sugar Act herroepen en vervangen door de Revenue Act of 1766, die de belasting verlaagde naar een penny per gallon suikerstroop, Brits of buitenlands. Dit vond in dezelfde periode plaats als de herroeping van de Stamp Act of 1765.

Verlaging belasting naar 1 penny per gallon
1754-1763: De Franse en Indiaanse Oorlog1770: Het Bloedbad van Boston