1773: The Boston Teaparty

De zogenaamde Boston Tea Party was een directe actie van de Brits-Amerikaanse kolonisten in Boston tegen de Britse overheid en het monopolie van de Britse Oost-Indische Compagnie, die alle theehandel in de koloniën beheerste. Op 16 december 1773, nadat de Britse autoriteiten in Boston weigerden drie scheepsladingen belaste thee terug te sturen naar Groot-Brittannië, gooide een groep kolonisten de thee in de haven. Het incident werd een iconische gebeurtenis in de Amerikaanse geschiedenis.

Achtergrond

Het incident ontstond door twee problemen die in 1773 in het Britse rijk speelden: de financiële problemen waar de Britse Oost-Indische Compagnie mee te kampen had, en een langdurig geschil over de rol van het parlement in de Brits-Amerikaanse koloniën zonder dat de kolonisten vertegenwoordigd werden in het Britse parlement.

Steeds meer thee

In de zeventiende eeuw begonnen Europeanen steeds meer thee te drinken. In die tijd ontstonden concurrerende compagnieën die thee uit Oost-Indië importeerden. Het Britse parlement gaf in 1698 de Oost-Indische Compagnie het monopolie op de thee-import. Toen de thee ook in de Britse koloniën populair werd, probeerde het parlement de buitenlandse concurrentie uit te schakelen door een wet op te stellen die bepaalde dat de kolonisten alleen thee uit Groot-Brittannië mochten importeren. De Oost-Indische Compagnie exporteerde de thee echter niet naar de koloniën; ze verkochten de thee en gros op veilingen in Engeland. Britse firma’s kochten de thee hier om deze vervolgens naar de koloniën te exporteren, waar zij het weer verkochten aan handelaren in Boston, New York, Philadelphia en Charleston. Dit dreef de prijs van de thee in de koloniën behoorlijk omhoog.

Belastingen

Doordat de Engelse belastingen op thee hoog waren, in tegenstelling tot de Nederlandse thee (die überhaupt niet belast werd), was het voor de Britten en Brits-Amerikanen goedkoper om gesmokkelde Nederlandse thee te kopen. De grootste markt voor deze illegale thee bevond zich in Engeland, en de Britse Oost-Indische Compagnie verloor honderdduizenden ponden per jaar aan smokkelaars. Er werd echter ook veel naar Brits-Amerika gesmokkeld. Om de Oost-Indische Compagnie te helpen, besloot het Britse parlement om de belasting op thee structureel te verlagen. Bovendien werden wetten opgesteld waardoor nieuwe belastingen werden gevormd voor de koloniën. De nieuwe wetten losten het smokkelprobleem echter niet op. Integendeel, ze zorgden er zelfs voor dat de controverse rond het recht van het parlement om belasting te vragen aan de kolonisten weer oplaaide.

De controverse rond belastingen ontstond in de jaren zestig van de achttiende eeuw, toen het parlement de koloniën voor de eerste keer wou belasten. Sommige kolonisten (‘Whigs’ genoemd) maakten bezwaar tegen dit nieuwe belastingsprogramma, omdat het een schending zou zijn van de Britse grondwet. De Britten en de Brits-Amerikanen waren het erover eens dat Britse onderdanen enkel belasting konden betalen als hun gekozen vertegenwoordigers daarmee ingestemd hadden. Dit betekende dat alleen het parlement belasting kon heffen. Aangezien de kolonisten geen vertegenwoordigers hadden in het parlement, betekende dat volgens hen dat het parlement hun ook geen belasting kon opleggen. Alleen koloniale instanties konden dat.

Protesten

De protesten zorgden ervoor dat bepaalde belastingwetten herroepen werden. In 1766 stelde het parlement echter dat ze hoe dan ook het recht hadden om in alle koloniën belasting te heffen. Toen de Townshend Revenue Act in 1767 werd ingesteld, leidde dat tot hernieuwde protesten. Handelaren besloten gezamenlijk niet meer te importeren en veel kolonisten zwoeren geen Britse thee meer te drinken. Er werd nog steeds veel gesmokkeld, vooral in New York en Philadelphia. In Boston werd er door een aantal handelaren nog steeds Britse thee geïmporteerd, totdat de Whigs uit Massachusetts zoveel druk op hen uitoefenden dat ook zij zich aan de anti-importovereenkomst hielden. Uiteindelijk herriep het parlement de Townshend-belastingen, behalve die op thee. Dit was genoeg voor de Whigs om de anti-importbeweging te stoppen. Van 1771 tot 1773 werd er weer in grote hoeveelheden Britse thee geïmporteerd naar de koloniën.

The Boston Teaparty

Tea Act van 1773

In 1772 waren de wetten weer zo veranderd dat de belasting op thee opnieuw verhoogd was, waardoor de Britse thee veel duurder werd. Hoewel de verkoop drastisch afnam, bleef de Oost-Indische Compagnie thee importeren naar Groot-Brittannië, waardoor er enorme overschotten ontstonden. Mede hierdoor raakte de Compagnie in een financiële crisis. De Compagnie pleitte ervoor dat een aantal belastingen opgeheven werd, bij voorkeur de Townshend Act. Het parlement weigerde echter, om gezichtsverlies in de koloniën te voorkomen. Bovendien werd van deze belasting het loon betaald van koloniale gouverneurs en rechters – een manier om deze afhankelijk te houden van de Britse overheid. Een alternatieve oplossing was om de thee goedkoop in Europa te verkopen. Dit plan verdween eveneens in de prullenbak; de thee zou immers toch Groot-Brittannië binnengesmokkeld worden, om daar de handel weer te ondermijnen. De beste optie was om de thee in de Amerikaanse koloniën te verkopen. Een voorwaarde was wel dat deze goedkoper moest zijn dan de gesmokkelde thee.

In 1773 werd de Tea Act ingevoerd, waardoor de Oost-Indische Compagnie eindelijk het recht kreeg om zelf thee te exporteren naar de koloniën. De verkoopprijs daalde enorm, maar de Townshend-belasting bleef gehandhaafd. Hoewel het parlement haar best deed om de belasting zo min mogelijk op te laten vallen, bijvoorbeeld door de belasting pas na de verkoop van thee te heffen, werd al snel duidelijk dat ze door het handhaven van de Townshend-belasting een enorme blunder had begaan.

Pleidooi voor afschaffen belasting op thee

Verzet tegen de Tea Act

Campagne

In september en oktober 1773 vertrokken zeven schepen van de Oost-Indische Compagnie naar de koloniën. Vier voeren naar Boston, de overige drie hadden New York, Philadelphia en Charleston als eindbestemming. Aan boord bevonden zich meer dan tweeduizend kisten met ongeveer zeshonderdduizend pond thee. Toen de schepen onderweg waren, kwamen de Brits-Amerikanen achter de specifieke details van de Tea Act en begon het verzet te groeien. De Whigs startten een campagne om meer bewustzijn te genereren voor de wetgeving en pleitten ervoor dat de partijen die met de Act hadden ingestemd zouden terugkomen op hun besluit.

Het conflict draaide niet om hoge belastingen. De prijs was immers zelfs afgenomen door de Tea Act. Het probleem zat hem volgens de tegenstanders in een aantal andere zaken. ‘No taxation without representation’ (geen belasting zonder vertegenwoordiging) was een van de meest gehoorde argumenten, evenals de invloed van het parlement op de besturing van de koloniën. Ook het doel van de belasting, namelijk het afhankelijk houden van de koloniale gouverneurs en rechters, was volgens de Brits-Amerikanen een overtreding van de koloniale rechten. Dit gold vooral voor Massachusetts, de enige kolonie waar het Townshend-programma volledig in werking was gesteld.

Koloniale handelaren

Koloniale handelaren, onder wie enkele smokkelaars, speelden een belangrijke rol bij de protesten. Doordat de Tea Act legale thee goedkoper maakte, dreigde de wet de smokkelaars uit de handel te drijven. Ook legale theehandelaren die geen deel uitmaakten van de overeenkomst met de Oost-Indische Compagnie liepen het risico failliet te gaan. Ten slotte was het monopolie van de Oost-Indische Compagnie op de theehandel voor velen een doorn in het oog.

Het lukte de Whigs in Charleston om de handelaren die een overeenkomst hadden gesloten met de Oost-Indische Compagnie over te halen om zich terug te trekken. Er vonden massale protestbijeenkomsten plaats in Philadelphia. Ook hier trokken de handelaren zich uiteindelijk terug uit de overeenkomst met de Compagnie. De thee werd in beslag genomen door de douane of teruggestuurd naar Engeland. Hetzelfde gold voor New York.

Patstelling in Boston

Dwarsbomen Oost-Indische Compagnie

Overal, behalve in Massachusetts, lukte het de Whigs om de Oost-Indische Compagnie te dwarsbomen door in te praten op handelaren en thee retour te zenden naar Engeland. In Boston lukte het echter niet, omdat gouverneur Thomas Hutchinson zijn voet dwars hield. Toen eind november het theeschip Dartmouth in de haven van Boston aanmeerde, riep Samuel Adams het volk op voor een bijeenkomst in Faneuil Hall, een grote markthal. Er kwamen echter zo veel mensen dat de bijeenkomst verplaatst moest worden naar het grotere Old South Meeting House. De vergadering kwam met een resolutie die de kapitein van de Dartmouth dwong terug te keren naar Engeland, zonder de importbelasting te betalen. Ondertussen werden er vijfentwintig mensen aangesteld om het schip in de gaten te houden en te voorkomen dat de thee werd uitgeladen. Volgens de Britse wetgeving stonden er maximaal twintig dagen voor het uitladen van de goederen en het betalen van de belasting.

Twee theeschepen

Gouverneur Hutchinson verbood het schip om de haven te verlaten zonder dat er belasting betaald was. Kort daarna arriveerden er nog twee theeschepen in de haven, de Eleanor en de Beaver. Op de laatste dag van de deadline (van twintig dagen) verzamelden ongeveer zevenduizend mensen zich bij het Old South Meeting House. Toen duidelijk werd dat de gouverneur weigerde de schepen te laten terugkeren, verkondigde Samuel Adams dat de vergadering niets meer kon doen om het land te redden (‘This meeting can do nothing further to save the country’).

Het verhaal gaat dat deze uitspraak van te voren afgesproken was als teken om de Boston Tea Party te doen beginnen, maar uit verslagen van ooggetuigen blijkt dat men pas tien à vijftien minuten later de vergadering verliet. Terwijl Adams nog probeerde de vergadering in toom te houden, stroomden de mensen naar buiten, in de richting van de haven. Die avond ging een groep van dertig tot honderddertig mensen, sommigen (slecht) verkleed als Mohawk-indianen, aan boord van de drie schepen. In de daaropvolgende drie uur gooiden zij alle driehonderdtweeënveertig kisten met thee overboord.

The Boston Teaparty; vermomd als Mohawk Indianen

Gevolgen van de Boston Tea Party

Of Samuel Adams nu wel of niet betrokken was bij de plannen voor de Boston Tea Party is onbekend. Hij verdedigde in ieder geval de actie en zorgde ervoor dat de stunt publiciteit kreeg. Volgens hem was het niet zomaar een daad van een hersenloze meute, maar was het een principiële protestactie en de enige overgebleven optie van het Amerikaanse volk om hun constitutionele rechten te verdedigen.

In Groot-Brittannië waren zelfs de politici die bekend stonden als ‘vrienden van de koloniën’ verbijsterd door de Boston Tea Party. De Britse premier stelde dat Groot-Brittannië actie moest ondernemen om te voorkomen dat ze de koloniën zou verliezen. Bovendien moesten de kolonisten gestraft worden. De straf kwam onder andere tot uiting door de invoering van nieuwe wetten; de zogenaamde Intolerable Acts.

De wetten zouden echter niet voorkomen dat er iets was losgemaakt in de Amerikaanse kolonie, dat niet meer kon worden teruggedraaid. Er waren groepen kolonisten geïnspireerd geraakt door de Boston Tea Party, wat leidde tot vergelijkbare acties, zoals het in brand steken van de Peggy Stewart. Achteraf gezien was de Boston Tea Party een van de belangrijkste aanleidingen voor de uitbraak van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Daarnaast diende het als inspiratiebron voor de Tea Party Movement, een politieke beweging uit 2009 die de invloed van de regering zo ver mogelijk wil inperken.

1770: Het Bloedbad van Boston1774: Intolerable Acts

Boek nu je camper voor 2018!
Bekijk de vroegboekacties