1973: Oil Crisis

In oktober 1973 brak er paniek uit in Europa en de Verenigde Staten. Het olierijke Midden-Oosten staakte de export van olie naar Westerse landen omdat die zich in Arabische-Israëlische conflicten hadden gemengd. Marktwerking en paniek onder Westerse overheden en oliebedrijven zorgden voor een snelle prijsstijging, waardoor de Westerse landen in economische moeilijkheden terechtkwamen.

Aanleiding van de oliecrisis

Om de oliecrisis te begrijpen is enige kennis van de geschiedenis en politiek van het Midden-Oosten noodzakelijk. Na de Tweede Wereldoorlog creëerden de geallieerden een Zionistische staat in het Midden-Oosten, dat een thuisland zou worden voor miljoenen ontheemde joden. In 1948 werd Israël een zelfstandig land. Het lag midden in Palestina, een gebied dat door de Britten gecontroleerd werd en waar veel Arabieren woonden. De Arabische landen om Israel heen (Egypte, Jordanië, Syrië, Irak) erkenden de nieuwe Israëlische staat niet en dit leidde regelmatig tot conflicten, waaronder de Arabisch-Israelische oorlog (1948), de Sinaï-oorlog (1956) en de Zesdaagse Oorlog (1967). Westerse mogendheden kozen over het algemeen de kant van Israël.

In 1973 ondernamen de Arabische landen, geleid door Syrië en Egypte, een vergeldingsactie voor de Zesdaagse Oorlog waarbij Israel grote gebieden had veroverd. Ze vielen Israël aan op Jom Kippoer, een van de belangrijkste joodse feestdagen. De aanval was zo’n grote verrassing, dat men vreesde voor het voortbestaan van Israël. De VS leverden echter wapens aan Israel en het kon daarmee het tij keren; onder druk van de VN kwam het uiteindelijk tot een wapenstilstand. Om de westerse landen te straffen voor hun steun aan Israël zetten de Arabische landen, verenigd in de OPEC, een olieboycot in. Olietoevoer naar westerse landen, waaronder de VS en Nederland, werd aan banden gelegd.

Kaart Midden-Oosten

De oliecrisis in de Verenigde Staten

Het olie-embargo had in de VS een grote impact. Voorafgaand aan de crisis was Amerika de grootste energieverbruiker ter wereld en de vraag naar olie nam al enkele jaren toe. Tegelijkertijd daalde de eigen productie en werd het land dus grotendeels afhankelijk van import, waarmee het extra gevoelig was voor het embargo. Zes maanden later, toen de toevoer hervat werd, waren de olieprijzen verdriedubbeld en had de OPEC de controle over de wereldwijde oliemarkt.

Acties

De Amerikaanse politiek had moeite met de crisis om te gaan. Ongeveer tegelijk met de oliecrisis brak het Watergateschandaal los waar de regering van president Nixon haar handen vol aan had en dit maakte het moeilijk om productieve politieke besluiten te nemen. Ook latere presidenten Ford en Carter hadden moeite met het bestrijden van de crisis. Verschillende overheidsinstanties en wetten werden in het leven geroepen, waaronder het Department of Energy dat het brandstofgebruik van het Amerikaanse volk moest reguleren en beïnvloeden. Maatregelen als de autoloze zondag in Nederland en tankbeperkingen in de VS deden hun intrede: auto’s met een oneven nummerbord mochtenalleen tanken op maandag, woensdag en vrijdag, en die met een even nummerbord op dinsdag, donderdag en zaterdag. Om het brandstofverbruik te verminderen stelde de overheid een maximale snelheid in van 55 mijl per uur (90 kilometer). Een van de meest verstrekkende effecten van de crisis waren de groeiende zorgen over de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Uit angst voor een nieuw embargo raakten de VS meer en meer betrokken in de politiek van het Midden-Oosten. In een poging de binnenlandse productie te vergroten ging men binnen de eigen landsgrenzen op zoek naar olie. Elke beschikbare bron werd aangeboord en in 1973 legde men de Trans-Alaska Pipeline aan, zodat men vanuit Alaska brandstoffen naar de aaneengesloten staten kon transporteren. Om toekomstige problemen in de energietoevoer te voorkomen vormde de VS samen met twintig andere landen in 1974 de International Energy Agency. Deelnemende landen ontwikkelden plannen om strategische voorraden aan te leggen die tijdens toekomstige crises aangewend zouden kunnen worden.

Auto-vrije zondag

Tweede oliecrisis

In 1979 trof een tweede oliecrisis de VS. In Iran vond een machtswisseling plaats, wat leidde tot hevige protesten en ontwrichting van de olieproductie en -sector. Toen de olie-export hervat werd, gebeurde dat inconsistent en in een kleiner volume, wat de prijzen omhoog dreef. Andere OPEC-landen probeerden het verlies aan te vullen, maar het kwaad was al geschied. Wederom brak er paniek uit in de Verenigde Staten, onder andere door het besluit van president Jimmy Carter de import van alle producten uit Iran stop te zetten. De prijzen schoten omhoog en de lange wachtrijen bij tankstations werden weer een vertrouwd straatbeeld, net als in 1973. In 1980 begonnen de prijzen te dalen. Dit hield aan tot in de jaren negentig, toen de prijs 60% gezakt was. De afhankelijkheid van het Midden-Oosten werd ingeperkt en de VS haalt tegenwoordig – naast binnenlandse productie – olie uit Mexico, Nigeria, Venezuela, Rusland en de Noordzee.

OPAC

Het roer om

In de jaren zeventig opkomend milieubewustzijn zorgde samen met de heersende oliecrises tot veranderende ideeën over energie. De termen alternatieve energiebronnen, duurzaamheid en zuinigheid werden ‘uitgevonden’. Het gedrag van de consument veranderde, al dan niet noodgedwongen. Benzineslurpende auto’s raakten ongewenst en vele Amerikanen stapten over op kleinere en zuinigere Europese en Japanse auto’s. Er kwam aandacht voor carpoolen en voor uitbreiding van het openbaar vervoer. De industrie droeg ook zijn steentje bij en ontwikkelde nieuwe, zuinigere technologieën en productiemethoden. Alles om een nieuwe grote oliecrisis te voorkomen.

1972: Watergate Scandal1974: Super Outbreak