1832: Het Bureau of Indian Affairs gesticht

Het Bureau of Indian Affairs (letterlijk “de afdeling Indianenzaken”) oftewel de BIA is een afdeling van de Amerikaanse overheid, om precies te zijn van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het is verantwoordelijk voor het beheer dan wel de controle van land van indiaanse volken, die voornamelijk reservaten zijn. Naast het Bureau of Indian Affairs bestaat er ook een Bureau of Indian Education, dat educatie verschaft aan een kleine 50.000 Indianen. De verantwoordelijkheden van de BIA hielden vroeger onder meer in het verschaffen van gezondheidszorg aan Indianen. In 1954 is die functie wettelijk gezien overgedragen aan het Ministerie van Gezondheid, Onderwijs en Welzijn, dat tegenwoordig het Ministerie van Volksgezondheid en Sociale Zaken heet.

Organisatie

Er zijn 564 verschillende Indianenvolken in de Verenigde Staten die officieel door de overheid erkend zijn. De belangen van al die verschillende volken worden door de BIA afgehandeld door middel van vier afdelingen. De eerste is het Office of Indian Services, dat zich bezighoudt met algemene zaken, maar ook met rampen, kinderwelzijn, stambestuur, Indiaanse Zelfbeschikking (zo’n officieel onderwerp dat het met hoofdletters moet) en infrastructuur. De tweede is het Office of Justice Services, dat gaat over zaken als wetshandhaving, rechtbanken, criminaliteit, et cetera. De derde is het Office of Trust Services, dat samen met stammen en met individuele Indianen werkt bij het beheren van hun land, vermogen en hulpbronnen. En de vierde is het Office of Field Operations, dat twaalf regionale bureaus heeft en drieëntachtig agentschappen, die op stamniveau het werk uitvoeren.

Logo Bureau of Indian Rights

Geschiedenis

In 1824 werd het Bureau of Indian Affairs, dat toen nog de Office of Indian Affairs werd genoemd, gesticht als een afdeling van het Ministerie van Oorlogszaken. Er hadden sinds 1775 al vergelijkbare agentschappen bestaan onder de Amerikaanse kolonisten, om te onderhandelen met Indiaanse volken over hun neutraliteit tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog.

In 1789 plaatste het Amerikaanse Congres de relaties met Indianen in het nieuwe Ministerie van Oorlogszaken. Tegen 1806 had het Congres een afdeling gerealiseerd die zich bezighield met de (bont)handel met Indianen via het factorijennetwerk, dat ook onder dit ministerie viel. Deze post werd gehouden door Thomas L. McKenney, van 1816 tot 1822, toen het factorijensysteem opgeheven werd. De overheid gaf vergunningen uit aan handelaars om enig gezag te kunnen houden in Indiaanse gebieden. Op deze manier hadden de V.S. ook enig profijt van de lucratieve handel in bont. In 1832 werd de aanstelling “Commissioner of Indian Affairs” gecreëerd door het Congres, en in 1869 werd Ely Samuel Parker de eerste Indiaan die deze functie hield.

Door de opheffing van het factorijennetwerk ontstond er binnen de overheid een leegte met betrekking tot de relatie met de Indianenvolken. Het huidige Bureau of Indian Affairs werd op 11 maart 1824 opgericht, door de Minister van Oorlogszaken John C. Calhoun, die het agentschap stichtte als een onderdeel van zijn afdeling. Dit deed hij overigens zonder goedkeuring van het Congres. Hij benoemde McKenney als het hoofd van de afdeling, die onder verschillende namen bekend was. McKenney noemde het bij voorkeur de “Indian Office”, terwijl de huidige naam Calhouns favoriet was.

In 1849 werd Indianenzaken overgedragen aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het bureau kreeg zijn huidige naam “Bureau of Indian Affairs” pas officieel in 1947. De BIA is betrokken geweest bij heel veel controversiële beleidsplannen. Een van de meest controversiële was de negentiende-eeuwse beslissing om Indiaanse kinderen in kostscholen ver van hun thuis te onderwijzen, met een grote nadruk op assimilatie. Dit kwam naar voren in het feit dat het de kinderen op deze scholen verboden was om hun eigen taal te spreken, om hun eigen gewoonten en cultuur te hebben. In feite werden ze onderwezen in de Europees-Amerikaanse cultuur. Uit deze tijd stamt dan ook het beruchte gezegde “Kill the Indian to save the man”. Sommige kinderen werden zelfs geslagen voor het bidden tot hun eigen schepper-god in plaats van tot de judeo-christelijke.

Toen het Indiaanse activisme in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw steeds sterker werd en er steeds vaker geëist dat verdragsrechten en soevereiniteit ook daadwerkelijk nageleefd gingen worden, werd de geschiedenis van de BIA behoorlijk turbulent. Er ontstonden groepen als de American Indian Movement (AIM), en dat maakte de overheid lichtelijk bezorgd; de FBI reageerde daar openlijk maar ook in het geheim op door mogelijke opstanden onder Indianen te onderdrukken.

De BIA-politie was, als onderdeel van de overheid op reservaten, betrokken bij politieke acties zoals de bezetting van het BIA-hoofdkwartoor in Washington in 1972, het incident bij Wounded Knee in 1973, et cetera. De BIA kreeg ook de taak om controversiële stamhoofden te ondersteunen, en dan met name Dick Wilson, die beschuldigd werd van dictatoriaal gedrag, door stamfondsen voor een paramilitair privélegertje te gebruiken, stemmers te intimideren, geld voor andere dan stamzaken te gebruiken, etcetera. Veel Indianen kozen er daarom voor om zich te verzetten tegen het beleid van de BIA, met name wat betreft het naleven van verdragen en de manier waarop er met dossiers en inkomsten werd omgegaan.

In 1972 bezette een groep van zo’n vijfhonderd Indianen die bij de AIM hoorden het BIA-gebouw in Washington D.C. Dit was het hoogtepunt van hun Trail of Broken Treaties. Ze wilden de aandacht vestigen op Indiaanse problemen, inclusief hun eisen om opnieuw te onderhandelen over de verdragen, om de rechten die vastgelegd zijn in verdragen ook echt te handhaven en om de levensstandaard te verhogen. De bezetting duurde zes dagen. Omdat ze het gevoel hadden dat de overheid hun negeerde, vandaliseerden de demonstranten het gebouw. Na een week vertrokken ze, na 700.000 dollar aan schade aangericht te hebben. Veel dossiers waren kwijtgeraakt, vernield of gestolen, inclusief onvervangbare verdragen, akten en waterrechtendossiers. Volgens sommige Indiaanse bestuurders kon dit de ontwikkelingen voor de Indiaanse stammen wel vijftig tot honderd jaar terugdraaien.

Tegenwoordig probeert de BIA te veranderen van een toezichthoudende instantie naar een adviserende instantie. Heel gemakkelijk gaat dat nog niet; de BIA staat bij veel Indianen vooral bekend als de instantie die de wet handhaafde die de Amerikaanse overheid van oudsher voorschreef aan stammen en hun leden, op basis van verdragen die door beide groepen waren getekend (hoewel juist de Amerikaanse overheid zich hier zelf zelden aan hield).

Poster van Trail of Broken Tears
1830: Indian Removal Act1835: Texaanse Revolutie