1862: Homestead Act

De Homestead Act stelde kolonisten in staat het eigendom op stukken grond te claimen. Als men kon bewijzen dat men vijf jaar op het stuk grond woonde, kon men dit als privé-bezit opeisen. Woonde men er ten minste zes maanden, maar nog geen vijf jaar, dan kon de grond goedkoop worden aangekocht. Deze wet speelde een hele belangrijke rol bij de westwaartse ontwikkeling van de VS. Het moedigde miljoenen Europeanen aan om naar de VS te emigreren.

Landverdeling voor 1862

Al voor het opstellen van de Amerikaanse grondwet in 1787 was er discussie over het verdelen van de westelijke overheidsgrond. Wegens te grote onenigheid over de prijs van federaal land, werd besloten de kwestie niet op te nemen in de grondwet. Hierdoor was de verdeling van de onbewoonde grondgebieden buiten de dertien originele staten willekeurig en chaotisch.

Een paar jaar later werd er op basis van een ordonnantie (The Land Ordinance of 1785) van Thomas Jefferson een gestandaardiseerd systeem ontwikkeld voor de verdeling van overheidsgrond en het beslechten van grensconflicten. Met behulp van astronomische startpunten werd het land verdeeld in vierkanten van zes mijl. Deze stukken land werden townships genoemd en waren bedoeld om nederzettingen op te bouwen. Elk township werd onderverdeeld in kleinere stukken grond van één vierkante mijl (of 640 acres), die gekocht konden worden voor 640 dollar. Dat was omgerekend $1 per 4.000 vierkante meter. Aangezien de betaling in één keer voldaan moest worden en er daarnaast relatief veel lichamelijke arbeid voor nodig was om het land geschikt te maken voor bebouwing, konden slechts weinigen zich zo’n stuk land veroorloven. De publieke verkoop van de overheidsgrond werd dan ook meer gezien als een nieuwe bron van inkomsten voor de regering dan een manier om op eerlijke wijze het land te verdelen.

Rond het jaar 1800 was er aan de behoeften van het volk tegemoetgekomen en waren de meeste stukken land gehalveerd. Men kon nu al vanaf 320 acre grond kopen en het verschuldigde bedrag kon in vier termijnen betaald worden. De grondprijs was inmiddels opgelopen naar $1,25 per acre en dit bleef zo tot 1854. Daarna werd de grondprijs bepaald door de mate van aantrekkelijkheid van het betreffende stuk land. Zo daalde de prijs van stukken grond die al dertig jaar te koop waren tot 12½ dollarcent per acre.

1862: Homestead Act

The Homestead Act

Het duurde tot 20 mei 1862 voordat president Abraham Lincoln de Homestead Act voorzag van zijn handtekening. Deze wet hield in dat een familie een bepaald stuk grond als privébezit kon opeisen als ze kon aantonen dat ze het al minimaal vijf jaar aaneengesloten in gebruik had. Er was een limiet gesteld op 65 hectare (160 acres) grond per familie. Als men nog geen vijf jaar, maar minstens zes maanden, van het stuk land gebruik maakte, kon ze besluiten het voor een destijds relatief lage grondprijs van $1,25 per acre of 308 dollar per vierkante kilometer van de federale overheid te kopen. Amerikanen die via de Homestead Act een stuk grond hadden geclaimd, waren wel verplicht het kavel te ‘verbeteren’ door er minimaal een onderkomen op te bouwen en het land te cultiveren. Een grondeiser moest minimaal 21 jaar, gezinshoofd en Amerikaans staatsburger zijn. Soldaten konden hun diensttijd laten meetellen in de noodzakelijke vijf jaar grondgebruik, als zij aan ‘de goede kant’ gestreden hadden. Personen die ooit strijd hadden getrokken tegen de Unie kwamen niet in aanmerking voor de Homestead Act, tot ergernis van de zuidelijke Confederatie. Hierdoor kan de Homestead Act gezien worden als een politieke aanval van Lincoln in de heersende Burgeroorlog tussen het Noorden (de Unie) en Zuidelijke staten die zich in 1860 hadden afgescheiden en omgedoopt in de Confederatie.

1862: Homestead Act

Geen oplossing

Hoewel de Homestead Act een einde leek te maken aan de decennialange chaos over landverdeling in het westen, was het zeker geen oplossing voor de grote armoede die op dat moment heerste. Relatief gezien waren er maar weinig arbeiders en boeren die het zich konden veroorloven om een boerderij te bouwen of zichzelf konden voorzien van genoeg gereedschap, vee en voedsel. Gebrek aan kennis en een ongunstig landbouwklimaat waren redenen voor het mislukken van een homesteading. De gure wind, incidentele sneeuwstormen en insectenplagen maakten vruchtbare landbouw onmogelijk en de schaarse aanwezigheid van bomen dwongen de boeren hun huizen en schuren te bouwen van plagge (graszoden). Het weinige aanwezige water maakten koken en verhitten tot kostbare activiteiten. Veel boeren haalden het daarom vaak niet tot de termijn van vijf jaar.

Daarnaast was de wet zo ambigu geformuleerd dat het fraude bijna in de hand leek te werken. Zo was er bijvoorbeeld geen standaard procedure om de claims te controleren (vaak was een zelf aangedragen getuige al genoeg). De verschillende wijzigingen die het Congres al vroeg na het invoeren van de wet aanbracht konden dit niet verhelpen. De meeste grond ging uiteindelijk naar speculanten, herders, mijnwerkers, houthakkers en de spoorwegen. Van de ongeveer vijfhonderd miljoen acre die tussen 1862 en 1904 verdeeld is door de General Land Office, ging slechts tachtig miljoen naar de zogeheten homesteaders. Dat is maar zestien procent van het totaal. De wet heeft wel bijgedragen aan de migratie van miljoenen Europeanen naar het ‘Wilde Westen’, die kans zagen een nieuw en beter bestaan op te bouwen aan de andere kant van de oceaan. Daarnaast noemen historici de Homestead Act nog vaak als een reden voor de grote waarde die de meeste Amerikanen hechten aan privé-eigendommen.

In 1976 is de Homestead Act vervangen door de Federal Land Policy and Management Act (in Alaska pas in 1986), omdat de overheid de resterende nationale gronden zelf wilde controleren en beheren. Boeren met kleine landerijen verkregen onder deze wet uit de 20e eeuw meer land dan onder de Homestead Act van Lincoln.

1862: Homestead Act
1861: Begin Amerikaanse Burgeroorlog1864: Sand Creek Massacre