1935: de Neutrality Acts

Het buitenlands beleid van de Verenigde Staten is altijd een kwestie geweest van kiezen tussen interventionisme en isolationisme. Isolationisme hield in dat Amerika zich weinig van de buitenwereld aan moest trekken en zich op het wereldtoneel terughoudend op moest stellen. Dit had historische wortels: George Washington was al van mening dat Amerika niet verzeild moest raken in de Europese politiek en in de negentiende eeuw stond de VS als vrije democratie afkeurend tegen het oude Europa waar grotendeels nog koningen heersten. Aanhangers van het interventionisme stelden juist dat Amerika als groot en invloedrijk land zich actief met het buitenland moest bemoeien en een voorbeeld moest zijn.

Voorgeschiedenis

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was president Wilson met zijn idealistische opvattingen over rechtvaardigheid en zelfbeschikking duidelijk een interventionist. Volgens hem moesten de VS zich in de oorlog mengen om democratie te vestigen en te waarborgen, en omdat een veilige wereld in het belang van Amerika was. Na de oorlog werd op Wilsons instigatie de Volkerenbond opgericht, een internationale organisatie van landen die min of meer de voorloper van de Verenigde Naties was. Na de oorlog was pacifisme een belangrijke maatschappelijke stroming geworden en in eerste instantie omarmden de pacifisten deze actieve rol van Amerika in het bewaren van de vrede.

In de jaren ’20 tekende zich echter een toenemend isolationisme af, hoewel de VS wel betrokken zouden blijven bij onderhandelingen over wapenrestricties als het Verdrag van Washington (1922) en vredesverdragen (bijvoorbeeld het Kellog-Briand-pact in 1927). Vlak na de oorlog, in 1920, stemde het Congres tegen het Amerikaanse lidmaatschap van de Volkerenbond omdat een meerderheid bang was dat de VS in de Bond betrokken zou raken bij toekomstige conflicten. Mede hierdoor zou de Volkerenbond een ineffectieve en tamelijk nietszeggende organisatie blijven. Het Verdrag van Versailles, dat de Eerste Wereldoorlog besloot, was in de ogen van veel Amerikanen een onrechtvaardig verdrag dat de macht van de overwinnaars vergrootte ten koste van de verliezers. Van een nieuwe, rechtvaardige wereldorde leek geen sprake te zijn, waardoor mensen een pessimistischere kijk op het buitenland kregen en voor de VS ook geen voorbeeldfunctie meer zagen weggelegd.

De Eerste Wereldoorlog zelf zou ook aanleiding geven tot een meer isolationistische houding. Veel Amerikanen vonden dat de Amerikaanse slachtoffers die op de verre Europese slagvelden waren gevallen onnodig waren gesneuveld, in een oorlog die niet de hunne was en waarvan, getuige het Verdrag van Versailles, de Europese mogendheden niets geleerd hadden. Het belang dat de VS bij vrede in Europa hadden woog niet op tegen het grote aantal slachtoffers.

In de jaren ’30 kwamen daar geluiden bij (vooral het boek Handelaren in dood dat in 1934 verschenen was maakte grote indruk) dat het land de oorlog binnen zou zijn gesleept door de invloed van bankiers en industriëlen in de wapenindustrie, figuren die grote sommen geld hadden verdiend aan de oorlog. Een onderzoek door een Senaatscommissie kon geen bewijs vinden dat zij het land daadwerkelijk in de oorlog gestort hadden, maar bevestigde wel dat een aantal handelaren inderdaad excessieve winsten had gemaakt. De Neutraliteitswetten zouden precies dit punt aanpakken. Het publiek en de politiek keerden zich tegen het financieren en bevoorraden van andere landen en voelden meer voor een op zichzelf gericht Amerika. De grote economische crisis die begon met de beurscrash van 1929 maakte dit isolationisme alleen maar erger. Met de grote armoede en economische moeilijkheden die heersten moest de VS eerst zichzelf zien te redden en was er geen ruimte voor een actieve rol in het buitenland.

Neutrality Acts

De Neutrality Acts

In de jaren ’30 hadden in Europa revanchegevoelens over de Eerste Wereldoorlog en de economische crisis tot de onheilspellende opkomst van het oorlogszuchtige fascisme en nazisme geleid, en in Azië was Japan eveneens een fascistische staat geworden met plannen voor expansie. Een nieuwe wereldoorlog leek op termijn onontkoombaar waardoor veel mensen gedesillusioneerd raakten in hun hoop dat oorlog door middel van internationale samenwerking uitgebannen kon worden. Pacifisten zagen nu meer in een Amerika dat vrede kende doordat het zich afzijdig hield dan in een Amerika dat wereldwijd de vrede probeerde te bewaren.

In plaats van, zoals twintig jaar eerder onder Wilson, zich als beschermer van de democratie en vrijheid op te werpen, namen de VS een serie Neutrality Acts of Neutraliteitswetten aan die de neutraliteit van het land moesten waarborgen en zouden voorkomen dat Amerika bij de komende oorlog betrokken raakte. Deze wetten zouden door de president van kracht worden verklaard wanneer dat nodig was.

1935: Neutrality Acts

Neutraliteitswet van 1935

De eerste Neutraliteitswet werd in 1935 ingevoerd. Omdat in de publieke opinie Amerika bij de Eerste Wereldoorlog betrokken was geraakt door handel in wapens verbood de wet precies dat: hij behelsde een exportverbod op wapens en munitie naar oorlogvoerende landen. De wapenindustrie werd voor een half jaar onder staatstoezicht gesteld om er zeker van te zijn dat er geen wapens geleverd konden worden. In 1936 werd de wet uitgebreid met een verbod op leningen aan landen in oorlog en werd hij voor een jaar verlengd. President Roosevelt zelf, die in 1933 was verkozen, was ondanks de isolationistische stemming in de jaren ’30 een voorstander van hulp aan landen als Frankrijk en Groot-Brittannië die tegenover het fascisme stonden. Oorspronkelijk had hij daarom een wet willen maken die het leveren van wapens alleen verbood aan het land dat de agressor was, terwijl het land dat aangevallen werd wel wapens mocht kopen. Het Congres koos echter voor een wet die aan beide landen een embargo oplegde.

Neutraliteitswet van 1937

De internationale verhoudingen raakten ondertussen steeds meer gespannen. In 1931 was Japan China binnengevallen en in 1935 viel Italië Ethiopië aan. Op het eerste reageerden de VS alleen door het veroverde gebied niet als Japans te erkennen; als reactie op de Italiaanse inval werd de eerste Neutraliteitswet in werking gezet en stelde men een wapenembargo in tegen zowel Italië als Ethiopië. In 1936 brak de Spaanse Burgeroorlog uit tussen de fascistische troepen van Franco en de linkse Republikeinen. De Duitsers stuurden hulp aan Franco en de Sovjet-Unie aan de Republikeinen waarmee de oorlog een voorbode van de Tweede Wereldoorlog was. De respons van de VS was dat ze in 1937 de Neutraliteitswetten uitbreiden. Landen in burgeroorlog telden ook als oorlogvoerende landen; Amerikaanse staatsburgers mochten niet op schepen van landen in oorlog reizen; Amerikaanse schepen mochten überhaupt geen wapens transporteren, zelfs niet als de wapens uit andere landen afkomstig waren; en de president kon het embargo tot meer goederen dan alleen wapens uitbreiden. Ook mochten Amerikaanse koopvaardijschepen niet bewapend worden en mochten ze niet in havens van landen in oorlog komen. Roosevelt wilde echter de optie van Amerikaanse hulp aan Frankrijk en Groot-Brittannië niet compleet uitvlakken en hij wist een bepaling in de vernieuwde wet te krijgen die het bevoorraden van landen toch mogelijk maakte, de zogeheten cash-and-carry-clausule. Volgens deze bepaling mochten landen in oorlog, na goedkeuring van de president, bepaalde Amerikaanse goederen –behalve wapens– kopen, als ze er meteen voor betaalden (cash) en ze met hun eigen schepen transporteerden (carry). Het idee hierachter was dat er zo specifiekere embargo’s afgekondigd konden worden, die alleen de goederen verboden waarvan de president dat nodig vond. Maar Roosevelt wist dat in de praktijk vooral Groot-Brittannië en Frankrijk het geld en de schepen hadden voor deze regeling dus in feite kwam de clausule neer op Amerikaanse steun aan deze twee landen.

Neutraliteitswet van 1939

De clausule was slechts twee jaar geldig en zou in 1939 dus aflopen. In de tussentijd escaleerden de internationale verhoudingen echter; in maart dat jaar annexeerde Hitler Tsjecho-Slowakije en in september viel hij Polen binnen waarmee de Tweede Wereldoorlog in Europa officieel begon. Roosevelt zette de Neutraliteitswet in werking, maar liever wilde hij de tegenstanders van Duitsland helpen. Hij probeerde de cash-and-carry-regeling daarom uit te breiden zodat de VS ook wapens naar oorlogvoerende landen mochten verschepen, maar in eerste instantie hield het Congres dit tegen. Toen de oorlog echter was uitgebroken wist hij in november het Congres ervan te overtuigen de isolationistische houding te laten varen en een nieuwe Neutraliteitswet aan te nemen die alle handel, in wapens of niet, onder het cash-and-carry-principe schaarde. Wel bleef het verbod op leningen aan landen in oorlog en het verbod op handel door Amerikanen met landen in oorlog van kracht.

De Neutraliteitswetten werden minder relevant naarmate het noodzakelijker werd om Frankrijk en vooral Groot-Brittannië (omdat Frankrijk in 1940 door de Duitsers veroverd werd) te bevoorraden. In 1941 werd de bekende Lend-lease-wet aangenomen waarmee landen wapens konden kopen zonder er direct voor te hoeven betalen en waarmee het concept van cash-and-carry dus in feite betekenisloos werd. Andere bepalingen uit de Neutraliteitswetten zouden ook herroepen worden in reactie op de realiteit van de oorlog; zo schrapte men in de herfst van 1941 de bepalingen dat Amerikaanse handelsschepen niet bewapend mochten zijn en niet in havens van oorlogvoerende landen mochten liggen als reactie op aanvallen door Duitse U-boten, die Groot-Brittannië blokkeerden en dus alle schepen –ook van neutrale landen als de VS– bedreigden. Toen de VS zich in december 1941 uiteindelijk in de oorlog mengden brak Amerika definitief met de Neutraliteitswetten.

Spotprent Neutrality Act
1934: De Indian Reorganization Act1937: De Hindenburg Ramp