Harley Davidson

harley-davidson logo Harley-Davidson is de enige overgebleven Amerikaanse motorfabrikant. Het bedrijf werd begin twintigste eeuw opgericht door Arthur Davidson, William S. Harley en Walter Davidson. In 1903 bouwden de drie hun eerste ééncilindermotor van 3 pk. Uiteindelijk werd in 1907 de Harley-Davidson Motor Company officieel geregistreerd en opende de fabriek in Milwaukee, Wisconsin haar deuren. Hier is nog steeds het Harley-Davidson Museum gevestigd.

Het begin

In 1901 bedachten en ontwierpen de eenentwintigjarige William S. Harley en zijn twintigjarige jeugdvriend Arthur Davidson een ééncilindermotor. Verschillende andere motorfabrikanten lanceerden in de daarop volgende jaren een soortgelijke motor en in 1903 werd het eerste Harley-Davidson prototype gebouwd, met behulp van Walter Davidson, de oudere broer van Arthur. Tussen 1903 en 1906 produceerden de jeugdvrienden een klein aantal motoren, wat leidde tot de oprichting van de Harley-Davidson Motor Company in 1907. Walter Davidson werd aangesteld als directeur, William Harley als hoofdingenieur en boekhouder, Arthur Davidson als directeur verkoop en William Davidson, een broer van Walter en Arthur, als chef werkplaats. Het bedrijf groeide snel en had in 1910 al 149 medewerkers in dienst.

Harleyen Davidson

De tweecilinder motor

Harley-Davidson was een van de eerste motorproducenten die een motor ontwikkelde met een V-Twin: een motor met twee cilinders die, in het geval van Harley-Davidson, een hoek van 45 graden maken. De eerste V-Twin werd in 1909 op de markt gebracht. Dit model had echter met veel kinderziektes te kampen; er werden slechts 27 exemplaren gebouwd, die in hetzelfde jaar nog werden teruggeroepen. Het tweede V-Twin model, dat in 1911 werd gebouwd, had meer succes. Dit kwam onder andere door een mechanisme dat de spanning van de aandrijfriem kon regelen.

V-twin

De jaren ‘20

In het begin van de jaren ’20 van de vorige eeuw was Harley-Davidson de grootste motorfietsproducent ter wereld. De motors werden in 67 landen verkocht en het bedrijf deed goede zaken. Toen brak echter de Grote Depressie uit. Deze wereldwijde economische crisis bleef ook bij Harley-Davidson niet onopgemerkt. De verkoop daalde van 21.000 in 1929 naar 3.700 in 1933. Om de crisis te overwinnen ging het bedrijf ook industriële motors maken.

Het leger als klant

Het Amerikaanse leger wou aan het begin van de twintigste eeuw gebruik gaan maken van motors. De motoren van Harley-Davidson waren goed toegerust voor zware trips onder de meest extreme omstandigheden, wat voor het leger erg belangrijk was. Omdat Harley-Davidson ook aantoonbaar over genoeg productiecapaciteit beschikte, werd de ‘Harley’ in 1916 door het Amerikaanse leger ingelijfd als vervoermiddel. De band tussen het leger en Harley-Davidson werd sterker tijdens de Eerste Wereldoorlog. In de jaren 1917-’18 maakten de geallieerden gebruik van meer dan 20.000 Harley-Davidsons. Dit keer waren het niet alleen Amerikanen, maar ook Britten en Fransen die op de motoren reden.

Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog maakten de geallieerden gebruik van Harley-Davidsons. Al in 1939 ontving Harley-Davidson de eerste order van 5.000 militaire motoren van Groot-Brittannië. In totaal produceerde het bedrijf tijdens de Tweede Wereldoorlog 88.000 militaire motoren onder de naam ‘Liberator’. De motors werden tevens naar Rusland verscheept; ook de geallieerden aan het oostfront reden op Harley-Davidsons.

Harley eerste wereld-oorlog

De doorbraak

De grote doorbraak voor de motoren kwam met de productie van de ‘Knucklehead’. Deze bijnaam kreeg de motor vanwege de twee kappen die de klepnokken bovenop de cilinderkoppen beschermen. De eerste Knucklehead werd gebouwd in 1936. Hij had een vermogen van 40 pk; 10 pk meer dan de gangbare motoren destijds. Door zijn snelheid en vormgeving werd de Knucklehead snel erg populair. Om aan de wens van de consumenten te voldoen, werd in 1941 de 1200 cc Knucklehead geproduceerd, met een vermogen van 48 pk. Deze serie motoren, die tussen 1936 en 1947 werd gemaakt, betekende de grote doorbraak van Harley-Davidson.

Nucklehead

Dubbele vering

Na de Tweede Wereldoorlog werd de commerciële markt voor motoren het richtpunt van Harley-Davidson. Er was vraag naar moderne motorfietsen en de Knucklehead, met zijn ontwerp van voor de oorlog, voldeed niet meer. Harley introduceerde in 1948 de Panhead, een model waar de daaropvolgende jaren op doorgebouwd zou worden. Een van deze ‘afleidingen’ was de Duo Glide uit 1958, de eerste motor met zowel voor- als achtervering. Door de verende achterbrug met schokbrekers was dit de meest comfortabele (en grootste) motorfiets ter wereld.

Panhead

De verkoop

In 1965 ging Harley-Davidson naar de beurs. Kort na deze beursgang deed de Bangor Punta Corporation een poging tot vijandelijke overname van Harley-Davidson. Hierdoor afgeschrikt ging de Raad van Bestuur zelf op zoek naar een geschikte overnamekandidaat. Die werd gevonden in de American Machine and Foundry (AMF), een conglomeraat van kleinere bedrijven met allerhande producten. Uiteindelijk werd Harley-Davidson in januari 1969 verkocht aan AMF. Diverse leden van de families Harley en Davidson bleven ook nu bij het bedrijf werken, maar in 1971 werd voor het eerst in de geschiedenis van Harley-Davidson een buitenstaander, Gus Davis, directeur van het bedrijf.

Elektrische ontsteking

De eerste motor die onder het nieuwe management werd geproduceerd was de ‘Shovelhead’. Het eerste type werd in 1966 gebouwd en het laatste type rolde in 1984 van de band. Ten opzichte van de Knucklehead had dit type motor minder last van trillingen en een betere acceleratie. Onder het nieuwe management hadden de motoren echter erg veel fabrieksfouten. Als alternatief voor de 1200 cc Shovelhead werd een krachtige 1340 cc motor geïntroduceerd. Dit was de eerste motorfiets van Harley-Davidson met een elektrische startmotor.

Shovelhead

De Low Rider

De populairste uitvoering van de Shovelhead was de FXS Low Rider. In de jaren ’70 van de vorige eeuw was de vraag naar customized motoren erg gegroeid. Door de diepe zit en de extra voetsteunen van de Low Rider kon iedereen genieten van het gezicht in de wind in plaats van op de benzinetank. Ook de combinatie van elektrische starter en kickstarter viel goed in de smaak. Bovendien kon iedereen, door het grote aantal accessoires, de motor naar zijn voorkeur aanpassen. In het eerste jaar na de lancering in 1977 werden er 3.742 verkocht, het jaar daarop al 9.787. Toen de motor in 1980 werd vervangen door een zwaarder model was de Low Rider verantwoordelijk voor bijna de helft van de totale Harley-productie.

Low Rider

De terugkoop

Onder aanvoering van Willie G. Davidson, kleinzoon van oprichter William Davidson, Vaughn Beals van AMF en Charles Thompson, toenmalig directeur van Harley-Davidson, tekende een groep leidinggevenden in februari 1981 een wilsverklaring met AMF om Harley-Davidson terug te kopen. Op 16 juni 1981 was de deal rond en voor 75 miljoen dollar werd Harley-Davidson teruggekocht. Dit staat nog steeds bekend als ‘The Buyback’.

De Evolution-motor

De belangrijkste innovatie na de terugkoop was de introductie van de Evolution-motor in 1984. Deze motor was een stuk lichter dan de voorgaande motoren, het motorlawaai was stukken minder en de koeling werd verbeterd, waardoor de verwachtte levensduur verlengd werd. De eerste Sportstermodellen met een Evolution-motor kwamen in 1986 op de markt. Deze waren meteen erg populair, niet in de minste plaats omdat het eerste model met een dergelijke motor 800 dollar goedkoper was dan de voordeligste motorfiets uit de Harley-stal.

Innovatie en ontwikkeling

Harley-Davidson houdt tot op heden sterk vast aan tradities, maar loopt ook voorop bij nieuwe ontwikkelingen, bijvoorbeeld met betrekking tot milieueisen. Om voor innovaties niet van anderen afhankelijk te zijn, werd in 1997 het Willie G. Davidson Product Development Center (PDG) geopend. Dit onderzoekscentrum is uitgerust met analyse- en testapparatuur waarmee elke mogelijke weg- en weersituatie kan worden nagebootst. Naast productontwikkeling is het PDG ook verantwoordelijk voor het testen van alle nieuwe modellen.

Dealers

Al in 1907 ging Arthur Davidson de boer op met zijn motoren om een dealernetwerk op te stellen. Vaak werden fietsen- of autodealers gestrikt als dealer van Harley-Davidson. Merkentrouw was hierbij erg belangrijk; als dealers eerder voor andere fabrikanten hadden gewerkt, werden ze niet als Harley-Davidson dealer aangenomen. Om een betere greep te krijgen op de Harley-dealers en hun betrokkenheid bij het bedrijf te vergroten, verdeelde Davidson Amerika in een aantal districten, waarbinnen hij district managers aanwees. Dealers konden bij deze managers terecht met al hun vragen en problemen. Tegelijkertijd rapporteerden de managers over de activiteiten van de dealers aan het hoofdkantoor.

De franchiseovereenkomst van de dealers werd per jaar verlengd, waardoor dealers die niet aan de Harley-eisen voldeden vrij gemakkelijk ontslagen konden worden. Dit gebeurde bijvoorbeeld als de dealers betrapt werden op het verkopen van producten van concurrenten. Motoren, onderdelen of accessoires: alles moest van Harley-Davidson zijn. Merkentrouw van de dealers is nog steeds erg belangrijk voor Harley-Davidson.

Ook bij de kopers van de motoren kan Harley rekenen op grote loyaliteit. In 1983 werd de Harley Owners Group (HOG) in het leven geroepen om het gevoel van onderlinge verbondenheid te versterken. Inmiddels heeft de HOG wereldwijd meer dan één miljoen leden.

Harley Dealer