James Earl Carter

Portret van president James 'Jimmy' Earl Carter, president van de United States van 1977-1981 James Earl Carter, beter bekend als Jimmy Carter, was de 39ste president van de Verenigde Staten. Zijn termijn was van 1977 tot 1981. Hoewel hij veel diplomatieke successen in het buitenland boekte, kelderde zijn populariteit door economische problemen in het binnenland. Zijn presidentschap werd destijds daarom niet als een succes beschouwd, maar die reputatie heeft hij als diplomaat in de jaren erna behoorlijk hersteld.

Voor presidentschap

Vroege leven

Jimmy Carter wordt geboren op 1 oktober 1924 in de staat Georgia, als zoon van een succesvolle ondernemer. Jimmy kiest echter een ander pad en studeert eerst af aan het Georgia Institute of Technology voordat hij gaat studeren aan de US Naval Academy. Hij studeert af vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog, om vanaf 1946 zeven jaar lang carrière te maken bij de Marine. Vijf jaar lang werkt hij op een onderzeeboot, maar het plan om officier te worden komt ten einde als zijn vader in 1953 overlijdt. Daarop besluit Carter zich terug te trekken uit de Marine en naar Georgia te gaan om het pindabedrijf van zijn vader over te nemen.

Politieke carrière

Carters politieke carrière begint in zijn geboortestaat. Zijn eerste functie is lid van de onderwijscommissie, maar in 1962 wordt hij gekozen als Democratisch Vertegenwoordiger in de senaat van Georgia. Hij doet zelfs een gooi naar het gouverneurschap, maar tot zijn grote teleurstelling slaagt hij er niet in de verkiezingen in 1966 te winnen. Hij zoekt daarop zijn toevlucht in religie, en vanaf dat moment zal Carter een overtuigd ‘born-again Baptist’ zijn. Hij sleept zich zo uit een depressie om in 1970 alsnog tot gouverneur gekozen te worden. In die rol blijkt hij een groot tegenstander van de rassenscheiding die dan nog in volle gang is. Hij maakt veel overheidsfuncties in Georgia toegankelijk voor zwarte Amerikanen en vrouwen. Ook als president zou hij voor het eerst minderheden toe laten treden tot zijn ministerie.

De weg naar het Witte Huis

Als gouverneur valt Carter al snel landelijk in het vizier dankzij de hervormingen van de lokale overheid en het overzichtelijker maken van de bureaucratie. Zo belandt hij bijvoorbeeld op de cover van het prestigieuze Time Magazine als symbool van goed leiderschap. De tijd lijkt gekomen om deel te namen aan de verkiezingen voor de Democratische presidentskandidaat, vlak voor het einde van zijn eerste gouverneurstermijn in 1974. Het wordt een zware verkiezing voor Carter, die nog geen nationale politieke achterban heeft opgebouwd. De vastberaden Carter compenseert dat gebrek echter door onvermoeibaar campagne te voeren. Ironisch wordt dat gebrek aan landelijke bekendheid juist een voordeel als in 1974 het land geschokt wordt door de Watergate-affaire. Het machtsmisbruik van president Nixon leidt tot bezorgdheid over de grote macht van de president en of de regering zoveel macht wel toevertrouwd kan worden. Het geeft Carter de kans zich te profileren als een buitenstaander; een man van het volk uit het verre Zuiden die niets met de immorele praktijken van Washington DC te maken heeft en orde op zaken zal stellen.

Carter wint de Democratische presidentskandidatuur in juli 1976, waarna hij in de verkiezingen tegenover de Republikein Gerald Ford komt te staan, die vanaf 1974 in de plaats was gekomen voor de afgetreden president Nixon. Het wordt een zeer spannende verkiezing, die volgens velen door Carter nipt gewonnen wordt doordat Ford blunderde in een tv-debat en ontkende dat Oost-Europa door de Sovjet-Unie werd gedomineerd. Hoe dan ook wint Carter slechts met 51 procent van de landelijke stemmen.

Tijdens presidentschap

Zijn presidentschap

Vanaf het begin van zijn presidentschap profileert Carter zich als een man van het volk. Hij is treedt zeer vaak op in de media, kleedt zich informeel en spreekt in duidelijke woorden. Zo wil hij er alles aan doen om het imago van een elitair en zelfingenomen Washington te verbeteren. Qua beleid richt hij zich op vele ambitieuze hervormingen op het gebied van economie en sociale verzekeringen. Veel plannen blijken te hoog gegrepen, want ondanks een Democratische meerderheid in beide kamers van de wetgevende macht, stuit hij op weerstand. Ook het Congres heeft namelijk geleerd van de Watergate-affaire, en wil zich voortaan kritischer opstellen tegen de macht van de president. Carter probeert het gebrek aan steun van de wetgevende macht te compenseren door zich direct naar het Amerikaanse volk te wenden en zo steun voor zijn plannen te winnen. Het is echter tevergeefs: tijdens zijn periode in het Witte Huis kijken de kiezers vooral naar resultaten. Carter slaagt er nauwelijks in zijn plannen werkelijkheid te laten worden en ziet zijn populariteit snel dalen. Daar komen nog twee schandalen bij rond Carters vertrouwelingen en medewerkers, die beschuldigd worden van fraude en van nauwe banden met de Libische dictator Muammar Gaddafi.

Buitenlandse successen

Carter scoort wel enkele successen in zijn buitenlandse politiek. De idealist kreeg vaak het verwijt dat hij te naïef was in zijn buitenlandse betrekkingen, maar juist met zijn pragmatische politieke beleid boekt hij veel concrete resultaten. In 1977 weet hij twee verdragen met Panama te sluiten waarin wordt vastgelegd dat de VS vanaf 1999 het Panamakanaal zullen beheersen. Zijn bemiddelingen tussen Iran en Israël leiden ertoe dat beide landen in 1978 de formele staat van oorlog beëindigen, die sinds de stichting van Israël in 1948 gaande was. Andere successen zijn het vestigen van diplomatieke banden tussen de VS en China in 1979 en het afsluiten van het SALT II verdrag met de Sovjet-Unie, waarmee beide kernmachten hun nucleaire wapenwedloop proberen te reguleren.

Binnenlandse problemen

De vele successen die de VS op het internationale terrein boeken, worden echter al snel teniet gedaan door andere problemen. Het binnenlandse economische beleid van Carter stuit op protest onder de bevolking. Gedurende zijn presidentschap blijft de inflatie maar stijgen, tot een hoogte van 12 procent in 1980, met een eveneens hoge werkloosheid. De economische malaise wordt vooral veroorzaakt door de energiecrisis die vanaf 1970 gaande is, als gevolg van Amerika’s afhankelijkheid van buitenlandse olie. Zowel consumenten als het bedrijfsleven wijzen echter Carters economische beleid aan als de oorzaak. Ook enkele crises op het internationale terrein stellen de president in een kwaad daglicht. De grootste was de bezetting van de Amerikaanse Ambassade in Teheran door een groep radicale studenten, op 4 november 1979. Terwijl het Amerikaanse personeel in gijzeling wordt gehouden, onderhandelt de Amerikaanse overheid met die van Iran (die de gijzeling overigens veroordeelt) in de hoop de gijzeling te beëindigen zonder de relaties tussen beide landen te beschadigen. Het Amerikaanse volk rekent het Carter echter zwaar aan dat hij er niet in slaagt de gijzelaars vrij te krijgen. Dat een geheime reddingsoperatie via de lucht binnen enkele uren eindigt met een crash in de woestijn, draagt evenmin bij aan een daadkrachtig imago.

Een geestelijke crisis

Tegen het einde van zijn eerste presidentstermijn heeft Carter als gevolg veel van zijn oorspronkelijke vertrouwen en populariteit verspeeld. Vooral zijn gebrek aan politieke ervaring leidt ertoe dat hij gezien wordt als besluiteloos; iemand die snel terugkrabbelt als zijn plannen onder vuur komen te liggen en een grote weerzin heeft om zijn krachten te bundelen met politieke medestanders. Hij probeert de schade te beperken in 1979 met een landelijke tv-speech, waarin hij spreekt over een ‘geestelijke crisis’ in het land en het volk oproept hun hoge verwachtingen bij te stellen. Het Amerikaanse volk heeft er inmiddels weinig boodschap aan en beschouwt Carter ongeschikt als leider.

Na presidentschap

In ere hersteld

Desondanks weet Carter de Democratische kandidatuur voor een tweede termijn veilig te stellen, maar in de daadwerkelijke presidentsverkiezingen van 1980 leidt hij een overweldigende nederlaag. Carter is geen partij voor zijn charismatische tegenstander: de Republikeinse ex-acteur Ronald Reagan. Extra pijnlijk is dat de Amerikaanse gijzelaars in Teheran één dag na Reagans inauguratie worden vrijgelaten, waarna de nieuwe president Carter uitnodigt om hen persoonlijk te ontmoeten in Duitsland.

Na zijn presidentschap keert Carter terug naar zijn geboortedorp, samen met zijn vrouw Rosalynn, die als ‘first lady’ een belangrijke rol speelde als adviseur. Daarna blijft hij echter politiek actief, vooral als diplomaat die bij verschillende internationale conflicten wordt ingezet. Zo bemiddelt hij in geschillen met Panama, Nicaragua en Ethiopië, maar realiseert hij ook een staakt-het-vuren tussen Bosnische Serviërs en moslims. Deze successen doen veel goeds voor zijn reputatie, die inmiddels veel positiever is dan tijdens (en vlak na) zijn jaren als president. Carter heeft tevens de Nobelprijs voor de Vrede gewonnen vanwege zijn inspanningen voor het vinden van vreedzame oplossingen in internationale conflicten en de promotie van democratie en mensenrechten. Ook ontwikkelt hij zich tot een invloedrijk schrijver, voornamelijk over de conflicten in het Midden-Oosten. Het gevolg is dat het beeld van Carter nu vele malen positiever is dan vlak na zijn presidentschap en hij gerekend kan worden tot een van de populairdere ex-presidenten van de VS.